Onze grijze straat vol 70 plusbewoners slaapt nog wanneer ik weg rij. Het is half zeven. Ik ben al een uur op. Mijn dossiers heb ik gelezen en de agenda is doorgenomen. Onderweg word ik gebeld door collega Jill. Ze huilt, ze is ziek en kan dus niet komen werken. Shit, denk ik maar blijf vriendelijk en rustig en zeg dat het geen probleem is.
Het is wel een probleem. Een oproep doen in de groepsapp, met de vraag wie er kan komen werken, is een optie. Dit doe ik niet, de meeste collega’s hebben al een berg overuren. Ik vraag collega Rianne of het okay is voor haar om iets langer te werken vandaag. Samen redden we het wel als er niets tegenzit.
Het is een sport voor me om alles af te krijgen, plezier te behouden èn goede zorg te leveren. Tussen de bezoeken door bel ik een aantal cliënten om te laten weten dat we later komen dan ze gewend zijn. Ze zijn nieuwsgierig: Wie is er ziek en wat heeft ze? Ik weet meestal via de cliënten hoe het met mijn collega’s gaat. Lachend zeg ik dat ik het zóó graag wil vertellen maar dat dit niet mag. Ze komen er wel achter maar niet via mij.
Dan belt Rianne. Mevrouw Klaassen doet niet open. We gaan samen naar binnen. Mevrouw ligt op bed. Haar ademhaling is oppervlakkig, ze klinkt vol. Haar handen zijn blauw verkleurd.
Ik bel de huisarts en wacht op de familie. Ondertussen hou ik mevrouw haar hand vast en zeg dat haar dochter onderweg is. In de groepsapp plaats ik nu toch maar een noodkreet.
Een half uur later fiets ik in de stromende regen. Twee kilometer verder woont de volgende cliënt. Collega Ina is onderweg om te helpen. Pure liefde voor de mensen heeft zij. Niets extra’s krijgt zij voor deze daad. Geen bonus of toeslag.
Die is voor de zorgverzekeraars….