“Sodemieter op”. Hij maakt een slaande beweging naar me en vloekt, Beduusd kijk ik naar Piet, achtennegentig jaar, bijna op en nog volop in de regie van zijn eigen leven. Ik verzorg hem op een stoel in de badkamer. Na de eerste vloek heb ik gezegd dat ik weg ga als hij zo blijft doen. “Donder maar op” schreeuwt hij nu. Ik gooi mijn washandje in de wasbak en loop de badkamer uit.
Op de gang staat de huishoudelijke hulp. “Pfff, heeft hij weer zo’n bui? Ach ja, hij is militair geweest hè?” zegt ze er veelbetekenend bij. In gedachte zie ik een schreeuwende sergeant-majoor die zijn peloton drilt. Voor de hulp waarschijnlijk de reden om dit gedrag te tolereren. Piet is een hulpbehoevende man op leeftijd, cognitief goed. Hij gaat wat mij betreft te ver met zijn geschreeuw en gevloek.
Na twee minuten hoor ik een angstig stemmetje: “Wil je alsjeblieft terugkomen?” Piet staat bij de wastafel, zijn broek op de knieën en een wanhopige blik. “sorry, sorry” stamelt hij half huilend. De sergeant-majoor oogt als een kleine jongen. “Het is goed hoor” zeg ik en help hem verder met wassen en aankleden.
Wanneer Piet aan de koffie zit vraag ik waarom hij zo boos werd. “Ik weet het niet” zegt hij, “Ik ben bang dat ik hier niet kan blijven wonen en ergens anders naar toe moet om te sterven”. Ik stel hem gerust en zeg dat zijn kinderen er alles aan willen doen om hem thuis te laten wonen tot zijn laatste ademsnik.
Twee weken later is hij dood. Zijn laatste dagen lag hij op bed. In de woonkamer. Zoals hij wenste: voor de televisie. De laatste aflevering van boer zoekt vrouw op het scherm, zijn kinderen om hem heen.
Ik ga naar de uitvaart. Het is een klein gezelschap. Twee veteranen van zijn geliefde leger zijn er ook. Bij de koffie raak ik met hun in gesprek. Piet blijkt administrateur geweest te zijn. Niks geen bruuske sergeant-majoor dus. Hij kreeg de aanstelling ooit van prins Bernhard nadat hij afgekeurd werd voor militaire dienst vanwege zijn slechte ogen. Piet was gelukkig en trots op zijn functie en zorgde ervoor dat het de soldaten aan niets ontbrak vertellen ze mij. Ik glimlach, dankbaar dat Piet in mijn herinnering veranderd in een zachte zorgzame man.